Wapens burgerij 1400-1550
In tijden van nood verwachtte het stadsbestuur dat de burgers de stad zouden helpen verdedigen. Niet iedere burger of ingezetene had echter het recht wapenen te dragen. In het Gulden boeck van de stad Kampen, een codificatie van het Kamper stadsrecht uit het Boek van Rechten is in de tweede helft van de vijftiende eeuw nauwkeurig omschreven welke burgers dit privilege hadden, namelijk:
- Allen die in Kampen een ambacht uitoefenden en knechten hadden sullen een voll harnaschtuich hoelden toe weten een panser, een borst, iserhoet ende hondeskoevele ende dair eene goede were (d.i. zwaard etc.) toe.
- Allen die enige nering deden en in eigen huizen woonden moesten zich eveneens van het voormelde wapentuig voorzien.
- Alle burgers of inwoners wier goederen 200 Rijnse gulden waard zijn sullen een vol harnaschtuich hoelden als voirss staet.
- Allen wier goed 100 Rijnse gulden waard was moesten er een iserhoet en een hondeskoevel, borst ende schoet en een goed zwaard op na houden.
- Alle weduwen en wezen die gegoed waren tot 200 Rijnse gulden sullen des gelijcs een vol harnaschtuijch hoelden.
Om er zeker van te zijn dat men deze wapens ook werkelijk had, werd van tijd tot tijd schouw gehouden. Wie dan in gebreke was, verbeurde een boete van 100 schillingen. Ook was het streng verboden zijn harnas te verpanden: ´ellic sal sijn harnasch holden ter stat behoeft´. De bewapening van de burgers bestond uit verdedigings- en aanvalswapens, de were.
uit: Thuis in de late middeleeuwen, Het Nederlands burger interieur 1400-1535
terug verder