TUIMELAAR XIV-XV
tekst: J. Baart 1977, Opgravingen in Amsterdam p.446-448 ![]()
foto: R. Dingshoff
schilderij: Hans Holbein de Oudere, Altaarstuk van Sint Sebastiaan
Voordat in de 16e eeuw het gebruik van draagbare vuurwapens algemeen wordt op de Europese slagvelden, is de kruisboog het meest effektieve en meest verbreide lange-afstandswapen. De kruisboog is al bekend aan de Romeinen, maar van gebruik in de vroege middeleeuwen is geen bewijs. Pas in de 10e eeuw blijkt het bestaan weer uit bronnen en afbeeldingen. De bloeiperiode van de militaire kruisboog valt in de 12e tot en met de 15e eeuw. Gebruik als jachtwapen gaat tot ver in de 17e eeuw door.
Een kruisboog bestaat uit een houten schacht, de zuil, waarop in de breedte een boog is gemonteerd. De pees van de boog bevindt zich, in de gespannen toestand, in een 'slot' halverwege de zuil. De pijl ligt tegen de pees in een geul in de zuil en wordt afgeschoten middels een trekkermechanisme aan de onderkant van de zuil. Het essentiele onderdeel van het slot is de tuimelaar of noot. Dit is een van been of hertshoorn gemaakte platte, doorboorde schijf. Deze wordt vertikaal geplaatst in een houder in de zuil. Door het middengat gaat een pen of pees, die de tuimelaar op zijn plaats houdt, zodat hij om zijn as kan draaien. Aan de bovenzijde is de tuimelaar overdwars en in de lengte ingekeept. In de inkeping overdwars wordt de gespannen boog pees vastgehouden. In de inkeping in de lengte ligt het uitein de van de pijl. Aan de onderzijde van de tuimelaar bevindt zich een inkeping voor de grendel van het afvuurmechanisme. Wanneer dit wordt gelost, valt de grendel weg. De tuimelaar klapt naar voren en laat pees en pijl schieten. Bij de oudste kruisbogen is het booggedeelte van hout.
Rond 1300 wordt de boog vervaardigd van laagjes hoorn of balein, versterkt met hout en pees en geimpregneerd met lijm. Sinds ongeveer 1400 wordt de boog van staal gemaakt. Omdat spannen met handkracht alleen niet mogelijk is, zijn de oudste kruisbogen al voorzien van een beugel aan het boog einde van de zuil, waar bij het spannen één of beide voeten in gezet kunnen worden.
Het spannen gebeurt bij de lichte bogen met een haakvormige peesspanner. Bij de zware, met name de stalen bogen worden technische hulpmiddelen, werkend met een hefboom, katrol of krikmechanisme, aangewend om de pees in de keep van de tuimelaar te trekken.
Door deze grote spankracht heeft een kruisboog van gemiddel de gewichtsklasse een maximale dracht van plus minus 330 m, veel verder dan een gewone handboog, met een trefzekerheid tot op ongeveer 200 m. Op een afstand van 40 tot 70 m biedt ook een middeleeuws ruiterpantser geen afdoende bescher ming tegen een kruisboogpijl. De ontwikkeling en voortduren de verbetering van de kruisboog, welke bij uitstek het wapen van voetvolk en burgerij wordt, leidt dan ook tot een 'bewapeningswedloop' met de adel, die zijn positie op het slagveld ernstig bedreigd ziet. De malienkolders, die de ruiters eerst dragen, worden vervangen door steeds zwaardere platenharnassen.
In de steden worden de schutterijen uitgerust met kruisbogen. Amsterdam vormt zijn eerste kruisboog of voetboogschutters gilde in de tweede helft van de 14e eeuw en een tweede in de eerste helft van de 15e eeuw.
In de 16e eeuw verliest de kruisboog de konkurrentiestrijd met het steeds hanteerbaarder en effektiever wordende vuurwapen. Ook de Amsterdamse schutterij wordt in deze tijd met geweren uitgerust.De in Amsterdam gevonden tuimelaar stamt uit de grachtvulling van de Olofspoort en is rond 1400 te dateren. De onderzijde is erg gesleten. De ijzeren pen, die van boven naar beneden door het voorwerp geslagen is, is waarschijnlijk bij een reparatiepoging aangebracht.
Het exemplaar dat in Zutphen is gevonden, stamt uit de 15e eeuw en is gerepareerd met een spijker.
Een overeenkomstige tuimelaar is in Zandenburg in de provincie Zeeland opgegraven en dateert van omstreeks 1500. Deze bezit geen ijzeren pen.